B  I  B  L  I  O  T  H  E  C  A    A  Q  V  I  L  I  A
Bron: Raepsaet, H. (1862). Naamoorsprong van Waes, Lokeren en Dacknam Annalen van den Oudheidskundigen Kring van het Land van Waes, 1, 45-55.
Transcriptie: Yannick Anné (24 februari 2018). Alle rechten voorbehouden.
Digitale kopie: Archive.org.

De vrienden der vaderlandsche geschiedenis bestatigen met genoegen, dat de beweging der historische studiën zich, sedert eenigen tijd, bijzonderlijk tot het opzoeken en naspeuren onzer Gemeente-Jaarboeken rigt.

Deze nieuw geopende, en, om zoo te zeggen, reeds gebaande weg tot de monografische studiën, stelt eenen wezentlijken geschiedkundigen vooruitgang daar. Hij bewijst, dat men de zoo dikwijls gezegde en herzegde waarheid begrepen heeft, te weten : dat zoo lang men de jaarboeken van het grootste deel onzer gemeenten niet bijeenverzameld zal hebben, het eene volstrekte onmogelykheid zal zijn, aan Belgie eens zijne waardige geschiedenis te geven, [1].

Want indien het waar is, – gelijk een Franschen zelf, de heer Du Paroy het bekent, – dat Belgie, van het oogpunt der schoone kunsten en der oudheidskundige en monumentale rykdommen beschouwd, slechts een onmetelyk nationaal Museum uitmaakt, is het toegelaten te zeggen, dat het onmogelijk is, eenen stap op den belgischen bodem te doen, zonder eenen vermaarden naam, een roemrijk feit, eene volkskragtige geschiedkundige gebeurtenis te ontmoeten.

Het is inzichtens dit groot nationaal werk, dat wij de stichting van den Oudheidskundigen Kring van het Land van Waes hebben voorgesteld.

Tot den huidigen dage lag deze schoone bloem van Vlaanderen, – wij [p. 46] boeken het bij herhaling rondborstig, – om zoo te zeggen, in den ban der geschiedenis geslagen. Door de werkingen van den Kring zal haar regtvaardigheid geschieden; welhaast zal zij uit de vergetelheid en het duister, waarin zij al te lang heeft bedolven geweest, gerukt worden; welhaast zullen hare titels en jaarboeken verzameld worden, en, onder het geschiedkundig opzicht, zal zij de plaats hernemen, die zij in de Vlaanderen onder betrekking van haren koophandel, hare nijverheid en hare landbouwrijkdommen met zoo veel luister bezit.

De kennis der gemeente-geschiedenissen heeft noodzakelijk tot de studiën van den oorsprong dier gemeenten gevoerd, ’t is te zeggen, tot den oorsprong harer benaming.

Voor vele lieden biedt deze studie niets belangrijks aan, en zij hechten weinig prijs aan zulkdanige opzoekingen. Voor hen is een naam, in tegenwoordigheid van daden en gebeurtenissen, onverschillig; wat geeft het hen, dat Vlaanderen Vlaanderen heete, als zij maar de schitterende en roemvolle bladeren zijner geschiedenis kennen?

Dit is nogthans eene grove wetenschappelijke en geschiedkundige dwaling. Vooreerst, in welk gedeelte der kunsten, der wetenschappen, der letteren, enz. het ook wezen moge, de oorsprong, het begin en de grondvesting van het vak, dat men bestudeert, niet weten, is hetzelve nooit kernig kennen, zijn Waarom onbewust blijven; in éen woord, het is een onwetenschappelijk werk verrigten. Vervolgens, – en, wel bijzonderlijk wat de geschiedenis-studie raakt, die wij beoogen, – de oorsprong der gemeente, waarover men opsporingen doet, niet kennen, is zich blootstellen om zich in de onmogelijkheid te bevinden van rekenschap te geven over de wieg, de kindschheid en de oorzaken van de ontwikkeling of van het verval der gemeente, voorwerp onzer studiën en opzoekingen. En waarom? Omdat onze gemeenten in ’t algemeen (en dit vormt vooral een grondbeginsel voor den germaanschen stam) haren naam ontleenen, ’t zij aan eene daadzaak of gebeurtenis, ’t zij bijzonderlijk aan hare ligging en aan den aard van den grond, waarop zij gebouwd en gevestigd zijn.

Om zooveel mogelijk de valsche denkbeelden te vernietigen, die men zich over het geschiedenisaanbelang van de studie der woordafleidkunde onzer gemeenten vormt, hebben wij, ten voorbeelde, eenige opzoekingen over de namen : Waes, Lokeren en Dacknam gedaan.

Ten dezen einde hebben wij ons, eerst en vooral, gewend tot onzen geachten en onvermoeibaren vriend, Mr De Deyn, Oudheidskundige en Ridder der Leopolds Orde, te Steenhuize, wiens geschiedkundige werken in dezen aard heden mogen doorgaan als waarheid, als besliste daadzaak. Zie hier wat hij ons nopens die zaak mededeelt : [p. 47]

« De voorheen schier onbevolkte gewesten tusschen de Maas, Dijle, Rupel en Schelde gelegen, worden door den Romeinschen gezagvoerder Cesar, – meer waarschijnlijk Advatua, – benaamd, waardoor men dient te verstaan : Ad-vastua, in de heiden of woestijnen. »

« Nergens vindt men dat voormelde krijgsheld ons land van Waes ooit eene bijzondere benaming toekende, ten ware hij deszelfs reeds ontwaterde grondvlakten onder zijne algemeene uitdrukking van Ad-vastua, zoo niet, onder degene van Menapiën had begrepen. » Zie J.-J. Raepsaet.

« Maar, hetgeen daarentegen, in weerwil der Wallische zwetserij, onwederlegbaar bewezen kan worden, is, dat ons bewoond Nerveene land (Nervii) zich toenmaals nagenoeg beperkte tot de grondstreek welke tusschen de Schelde en den Dender besloten lag, en, in den eersten, doorgaans het land van den Braakband (Bractus-pantus, Bracbatensis), het land der Nerveenen of der Vlamingen, doch, – na de Romeinsche ontvoogding, – het land van Aal-lots, Allotst en Allost, benaamd werd, (Aal : vrij ; – lot en lots : leen, bestuur. – Allost : vrijleen, naar s’landaards tongval langzamerhand verkrompen in Alost, Alest en Aalst), terwijl het roemwaardig stamvolk, dat eerst dien bebouwde, daar beurtelings als Braakmannen, Brakeliers, Brakeniers, Braakbanders, Neermannen, Neerinks, Neervennen, Vlamingen en Vlemingen betiteld werd, ofschoon het eigentlijk van die schottische Albanen, (Aalbanders : vrijbenden) ontsproot, welke door de getergde Belgen zoo wreedelijk geteisterd en geschandvlekt zijn geweest, dat ze, om hunne gewaande euveldaden te boeten, – het is ongeveer twee duizend vier honderd jaar geleden, – als ontembare en onoverheerschbare slaven, geboeid en gelidteekend, ter eeuwig verbanning werden verwezen naar de voormelde Braakbandsche grondstreek, tusschen Schelde en Dender, die alsdan, gewis, ook nog woest en onbewoond was. »

« Nogthans, in dien uitersten toestand, steeds door hunne aangeborene vrijheidszucht en eendragtige heldendeugd aangeprikkeld, moesten onze alom bewonderde Nerveenen, toch van zulke onderdrukking begenadigd of allengs ontlast zijn geweest, vermits zij, niet alleen welhaast hunne geduchte onafhankelijkheid herwierven, maar zelfs, in het vervolg, onderscheidene naburige of wederspannige volkeren bedwongen en overheerscht hebben, even als de Gentenaars (Centrones), de Waesenaars (Pleu-mosijs) der omstreken van Rupelmonde, de bewooners van het Mietjensland (Diensthuurschapsland) en van menige andere verslaafde landschappen het ongetwijfeld waren. Men weet genoegzaam hoe ons Land van Waes, met de vier Ambachten, nog voortdurend onder de heerschappij des herboren Graafschaps van Aelst begrepen of onderworpen was gebleven. »

« Ten tijde van Cesar, zouden onze Waessche grondvesters, gelijk derzelver [p. 48] oud historie-schrijvers het ook vermelden, wel eens als onderhoorige Pleumosijs der Nerveenen aengeduid kunnen geweest zijn, want, de ons even zeer verbasterd voorkomende namen van Pleu en Mosij zullen waarschijnelijk derwijze geschreven en naar gewoonte verbonden zijn geweest, omdieswille dat de keurige Cesar, door zijn bijnaamwoord Pleu, een zeker onderscheid behoefde daar te stellen tusschen ’s Nerveenens talrijke dienstlidschappen, waar van sommigen, als verkleefde (verbondene) slaven of armtierige arbeidslieden, verscheidenlijk Masen, Maesen, Mesen, Meesen, Meisen, Meusen, Meeusen, Mijsen, Mosen, Moesen, Muisen, en dies oneindig meer, benoemd werden. »

« Wij verstaan gereedelijker uit de oorspronkelijke woordbeteekenis van Am-bachten : achter of buiten de woonkringen ; doch, na verloop van tijd, het zij omdat zekere lieden, welke uit de hammen schenen verbannen te wezen, meestendeels verslaafd, of, omdat ze uitsluitend tot den arbeid der zwaarste werken gedwongen waren, daarom, wel is waar, kan deze stellige uitdrukking van Am-bachten, ook meer toegepast zijn geworden op menigerhande lidschappen en bijzondere hand-arbeiders, die, vermoedelijk, buiten de hammen gevestigd wierden. (In Montano’s woordenboek uitgegeven te Amsteldam, by C. Janssens, ten jare 1644, wordt het verlatijnd woord Ambactus letterlijk vertolkt als : slave, die aan een ander onderworpen is. »

« Voor wat de tot dus verre betwijfelde naamoplossing des Lands van Waes betreft, daaromtrent behooren onze stam-verwantschijnende woorden : Waze, Waest, Weze, West, Woest, Waesland, Woestland, Woestijne, Wastijne en Vastijne, in nauwkeurige vergelijking te worden gebracht ; want wij bemerken : A. dat waze, gelijkzinnig met ons verfranscht vase (moeras) in Meijers woordenschat, 9e druk des jaars 1731, de beteekenis heeft van slijk. – B. dat de boschachtige landerij der Woestijne nabij zekere vallei te Meerbeke, omstreeks Ninove, daar, ter landkaarte des jaars 1698, nog zeer duidelijk als vasijne : veld, aangeteekend is. »

« Elders, namelijk in de volkrijke gemeente Zele, bestaat insgelijks de wijk of grondplaats van den Wezepoel nog, waaraan men wel eens de beteekenis van modderpoel zou kunnen hechten ; doch, mijns dunkens, moet deze Wezepoel eene andere toepassing erlangen. Hij zou beter de scheidpaal van Waes vermelden. »

« In der waarheid, Waes, Waest en Woest, en zelfs Weste, volgens den kundigen Ten Kate, bedieden zoodanige gewesten, welke, onbewoond en onbeploegd, een akelig of wildachtig uitzicht vertoonen. – IJne, Eijne, Heijne, even als ijtte, ijde, heide, heije, heien, heijm, enz., hebben voor grondbeteekenis : « dekken, omdekken, bergen (verbergen). » [p. 49]

« Zulk eene afleiding, met betrek tot ons Land van Waes, vindt zich verder bekrachtigd als men overweegt, dat in Reygersberch’s oude kronijk van het naburige Zeeland (elfde kap.) verhaald wordt, dat er sinds oude tijden een spreekwoord bekend was, luidende : « Zeelandt, gheen landt, ic houdet metten heycant. »

« Door dien zoo menigwerf onderscheiden Heycant, bedoelden onze voorvaderlijke stamgenooten ongetwijfeld het meer verhevene, of omdijkte, en min aan overstroomingen blootgestelde land van Waes, dat toch het naast aan Zeeland gelegen was, en zelfs van dezentwege, langs de overzijde, weder onder Zele, nabij de Waessche grensscheiding, bereids door de eigenste namen gekenmerkt wierd, in deszelfs bewoonden wijk van den « Heycant », te weten, den kant der woesten-ije, dien men thans algemeenlijk het land van Waes noemt. »

« Hetgeen dit gevoelen nog meer bevestigt, zijn de gedenkwaardige oorkonden die door onzen vaderlandschen dichter De Clerc, omtrent het midden der 14e eeuw, in het 2e boek, R. 4965, zijner Rijmkronijk van Braband geschreven zijn, waarbij verklaard wordt « hoe Karel de Kale, kleinzoon van keizer Karel de Groote, tijdens de negende eeuw, zijn gunsteling Diederik, als eerste Graaf van Holland benoemde, en hem tevens vereerde met » Waesche (waesch) : « dat toen was een foreest, (wildernis), waterlandmersch en heide. »

« Dieshalve moeten de gelijkzinnige namen des lands van Waes : Waesch, waesche, waze of weze, hunne aloude beteekenis behouden van « het woestenij-land. »

« Wat nu den naamoorsprong van Dacknam betreft, er behoort vooraf aangemerkt te worden, dat, volgens onze dietsche woordvoeging, D’ack’nam slechts als Acken-ham, in den zin van de Akkenham, voorkomt, dat is : een omheind-, omtuind-, omperkt-, of omwald-bewerp, hetwelk bij vergelyking tot Dacknams inrigting, evenwel als eene versterkte woonplaats zou mogen gehouden worden.

« Ten anderen, ons Ak, Akke, Akeren, Ak’ren, Akker, Haak, Eik, Ek, Ekke, Hek, Hekke, Ok, Hok, Hoek, Oik, Uik, Ik en Iken, al waren derzelver worteldeelen ook verbogen in Ag, Aag, Haag, Eg, Heg, Og, IJg, enz., staan alleszins met diergelijke afleiding in verband. »

« Voor hetgeen dan ook de naamontduistering van Lokeren aanbelangt, zouden wij althans ons mogen gedragen naar Ten Kate’s ontwikkelde worteldeelen van Luik, Lak, Lek, Lik en Luk, maar, om hieromtrent duidelijker te wezen, behoeven wij meer ons gevoelen te staven op de onderscheidene beteekenissen, welke hier te lande van oudsher aan deze en gene zinverwante woorden toegekend zijn geweest ; want, inderdaad, Loke en [p. 50] Leuke (sepimentum) wordt naar Van Kiel (Kiliani) door Noël vertolkt : omhaagde afsluiting. – Loken en Luiken als : sluiten en omsluiten.

« Echter, bij Montanus wordt Loker door receptaculum vertaald ; waaruit Noël weder verstaat : Retraite (wijkplaats), Refuge (toevlugt), Asile (schuilplaats, waar men zich verbergt). »

« Alzoo, en aangemerkt die andere sprekende benaming van Lokerens Boxelaer (Boksel-aar : omschutte verblijfplaats), zou het onderhavige Lokeren eene bewaakte opsluiting van zekere strafschuldige lieden geweest zijn, welke, even als Lokeren, onder Turnhout, vergeleken mag worden met de Gentsche Manneloker (opsluiting der mannen : dienstmannen? en zelfs nog met de aloude Vantelokeren, vante gelijkzinnig als de Wettersche Vanteghem en ons voormalig Ostervant) die in later tijden een omwald en omwaterd leengoedje was, hetwelk men thans nog, te Erembodeghem, het hof Terlokeren noemt, ofschoon sommigen, naar de fransche begoocheling, het goedsmoeds in de te Lokeren, voor Vante of Wantelokeren veranderden. »

Tot zoo verre strekken zich de aanteekeningen van onzen geleerden vriend, welke wij met de volgende bevestigings bemerkingen laten volgen.

WAES.

Mr Van Den Bogaerde (Het distrikt St. Nikolaas, voorheen Land van Waes, deel 2, bl. IV.), bemerkt :

« De geleerde Van Der Elst veronderstelt dat de benaming van Waes uit het woord Waze spruit, hetwelk in de oude Teutonsche taal Slijk beduide ; omdat hetzelve voornamelijk voor de indijkingen omstreeks de rivieren zeer slijkachtig was. Andere trekken den oorsprong uit het woord Vase door de Latijnen aangenomen en bij de Gothen veranderd in Wase, daarna Wasia. Zommige zoeken het zoo ver niet in de oudheid en doen het spruiten uit Woest land daarna Waes land[2] en nu land van Waes.[3] Doch deze veronderstellingen, hoewel niet geheel en [p. 51] al van waarschijnlijkheid ontbloot, kunnen echter niet genoegzaam door bewijzen worden gestaafd, om als daadzaken te mogen worden aangenomen. »

Mr Chotin, in zijne woordafleidkundige studiën van Henegauwen, bl. 149, sprekende van Maleves St. Marie-Wastines, geeft aan dit laatste woord den zin van onvruchtbaar, woest, woestijn, wüste in het hoogduitsch en Vastum in plat latijn.

De Archiven van het hospitaal van Onze-Lieve-Vrouw, van Audenaarde, behelzen twee bewijsstukken, die ons hier niet misplaatst voorkomen. In 1246 geeft Margaretha van Vlaanderen een bevelschrift betrekkelijk De Wastina illa extra portam Hospitalis Aldenardensis sita versus Wilshugam quæ vulgariter dicitur Pudemere, en, ten zelfden tijde verleent zij aan ’t hospitaal het regt van in die Pudemere te visschen. Het wordt erkend door al degenen, die zich met de geschiedenis van Audenaarde onledig houden, dat het deel van den grond weskwestie, eertijds moerassig en onvruchtbaar was, in een woord, eene kreek.

In 1258 verleent dezelve gravin Margaretha aan het hospitaal : Duo bonaria mori jacentes in Wasia, in Parochia de Mourbeke inter morum de Bedelo, etc.

Deze woordafleidkundige aanteekeningen afkondigende, hebben wij niet ten doel, a priori te bewijzen, dat zij den waren oorsprong der benamingen Waes, Lokeren en Dacknam onbetwistbaar behelzen.

Met het aanhalen dezer drij, rond ons genomen voorbeelden, hebben wij bijzonderlijk willen doen verstaan, welk belang voor de plaatselijke beschrijving onzer gemeenten, de studie en de opzoekingen harer benamingen opleveren, en in welke grove dwaling dezen vervallen, die, zoo als wij het reeds gezeid hebben, dit gedeelte der geschiedenis beschouwen als slechts een bijgevoegd, een nevenbelang aenbiedende. Wy herhalen het : deze taalkundige studie is zoo onontbeerlijk en noodig voor onze gemeenten, als zij het voor den oorsprong des belgischen volks zelven is. Zonder deze groote geschiedkundige medehulp, zou het bestaan van Belgie zich bepalen en samenvatten tot een enkel gekend, bestatigd en voltrokken feit. Met de taalwetenschap heeft Belgie zijne roemrijke plaats in de groote Germaansche familie of stam ingenomen, en, met haar heeft zij eene plaats, eene onderlinge verbindtenis van spraak, zeden en karakterschetsende gedachten. (Zie : Lassen en A. Schleicher).

Van Azia tot in Amerika is het deze volksstam, dien men hedendaags, volgens de taalkunde, onder den naam van Indo-germaansche aanwijst.

Wat volgt nu uit deze aanteekeningen onder het oogpunt van de benamingen der drie aangeduide plaatsen? Voor ons, zoo niet eene [p. 52] zekerheid, eene volslagene proef, ten minste iets meer dan eene waarschijnelijkheid. Hare schrijvers (en wij konden er nog andere bijvoegen) geven eenparig eenen zelfden taalkundigen oorsprong aan hare benamingen. Deze eenparigheid brengt een onbetwistbaar waarheidsaandeel tot hunnen wederzijdsche thesis bij. Allen leiden den naam Waes af van onvruchtbare, woeste, onbewoonde plaats. Indien men bij deze overweging van het onderzoek der plaats- en aardbeschrijving van het land van Waes voegt, kan er voor ons geen twijfel over de echtheid van zijnen naam meer overblijven.

Het land van Waes maakte voorheen deel der gewesten door de Menapieren bewoond. (J. J. Raepsaet, Œuvres complètes). Het karakter van den gang dezer germaansche verhuizingen volgende, is men gemagtigd te bevestigen, dat het noorden van Belgie, om zoo te zeggen, laatst is bevolkt geworden. Men vindt de oorzaak er van, in deze overweging : dat de aziatische volksverhuizingen tot gronddoelwit het voorzien in hare behoeften en het zich aanschaffen van ruimten en woonplaatsen hadden. De eerste benden namen welhaast bezitting en vestigden zich ; maar, van tijd tot tijd, door andere horden gevolgd, die door dezelfde beweegreden geleid wierden, werden zij opvolgentlyk verdrongen en vooruit gejaagd, tot het oogenblik, dat de gezamentlijke menigte plaats gevonden had, om er zich te vestigen en haar bestaan te regelen. Er moet een aenzienelijke tijd verloopen zijn, sedert den stond, dat de eerste Germanen den Rhijn overgetrokken zijn, en zich in het noorden van Vlaanderen, te weten, het land van Waes gevestigd hebben. (Over de Volksverhuizingen zie men onze Essai sur la Loi Salique). Daaruit volgt, dat het land van Waes langer onvruchtbaar en woest moet geweest zijn dan de andere deelen des lands, en wij voegen er, zonder vrees van logenstraffing bij : later dan de andere gedeelten van Vlaanderen. En waarom? Zijne landelijke ligging toont het ons : deze streek is, om zoo te zeggen, langs alle kanten omringd en afgesneden door wateren ; als gevolg dezer feiten hebben de overstroomingen het ten grooteren deele moeten onbewoonbaar maken. De statistieken en de geschiedenis zijn daar om zulks te bewijzen. Men doe hedendaags de dijken en waterwerken, opgeworpen en uitgevoerd door de beschaving en den vooruitgang, verdwijnen en weldra zal het schoone land van Waes slechts een uitgestrekt moeras verbeelden.

Men raadplege, als laatste bewijs van ons gezegde, de geleerde aard- en delfstofkundige opzoekingen van den Heer Dr Van Raemdonck, van St. Nikolaas, en met de stuks ter bevestiging zal het bewezen worden tot hoe ver zich de zee heeft uitgestrekt en tot op welken afstand zij hare overstroomingen uitreikte. Welhaast zal men overtuigd zijn, dat gedurende [p. 53] langen tijd, het land van Waes slechts eene onvruchtbare en onbewoonde landstreek is geweest.

LOKEREN.

Onze schrijvers vinden dezen naam in omsloten, omheinde plaats. De ligging van Lokeren, slechts eene halve eeuw in het verleden beschouwd, bevestigt deze taalkundige opgave. Langs den eenen kant is de stad afgesloten, beschut door de Durme ; langs den anderen (dit kunnen vele tijdgenooten staven) bevond zij zich, om zoo te zeggen, te midden van uitgestrekte bosschen, door wilde dieren bewoond. En dit is zoo echt, dat men in de stads-rekeningen jaarlijksche betalingen van premiën vindt, voor degene, die een dezer dieren neêrgeveld had.

Was dit zoo over nauw eene halve eeuw, hoe moest het er in meer verwijderde tijden uitzien? De kronijk van Lokeren bevestigt, dat omstreeks het einde der XVIe eeuw, de wolven er in zulke groote menigte waren, dat men zich van de eene tot de andere plaats niet mogt begeven zonder een wezentlijk gevaar te loopen.

Volgens den schrijver der Kronijk van Lokeren, die men, althans voor het eerste deel, aen zekeren De Smet moet toeschrijven, zou de naam Lokeren voortkomen van Lokeren, (uitlokken, aantrekken). « Wij spreken bijzonderlijk » zegt hij « van onze geboorteplaats, dat lieve, zoet en aangenaam Lokeren, het welk met regt wel behoorde Lokeren geheeten te worden, door zijne aangename en Lokende situatie. »

Wij zijn voornemens aan den Oudheidskundigen Kring de opneming in zijne Annalen te vragen van het belangrijk handschrift dezer kronijk, dat wij bezitten, benevens de kaart van Lokeren, die in bezit is geraakt van het Museum, door de zorgen van onzen geachten vriend en kollega, Dr Van Raemdonck, bewaarder van het zelfde Museum.

Mr Van Bogaerde vindt geenen oorsprong van de benaming Lokeren.

Wijlen Mijnheer Defoltrie, leeraar van wijsbegeerte bij de Hoogeschool van Leuven, neemt in zijn bekroond werk: « Analogie des Langues Allemande, Flamande et Anglaise » vooreerst het woord Loken (Louken) voor het duitsche Sehen, het engelsche to look, het vlaamsche Zien ; vervolgens eigent hij aan ’t zelfde woord : Loken, Looc, Look en Loek de beteekenis toe van Luik, beluik, sluiten, wat voor Lokeren zou beduiden : eene uitgestrektheid open grond, doch omgeven, omsloten, ’t zij door waters, moerassen of wouden.

Mr De Smet, in zijn werk : Essai sur les noms des villes et des communes de la Flandre, zegt : [p. 54]

De naam Lokeren was alreeds in 1139 gekend. Oude oorkonden schrijven Lokerne en Locra. Zijn naam komt voorts van hem en van Loken of Luiken, (omsluiten) en wil zeggen : verblijf in eene omslotene plaats.

De geleerde Willems schrijft den oorsprong van den naam Lokeren toe aan dezelfde aardrijkskundige en plaatselijke oorzaak als Mr De Smet.

DACKNAM.

Mr De Smet veronderstelt dat deze naam voortkomt van dengenen eens eigenaars of eens stichters ; mogelijks, voegt hij er bij, verblijfplaats van Idace.

Willems : – Diplomas geven : 1156, Dackenham; 1160, Dakanham, en in 1330, Dakenen, Dac beteekent Huisdak; dack, mist of smoor.

Volgens Mr Delfoltrie is dack het nederduitsche dak; hem en ham beteekent huis, wooning, schuilplaats.

Nopens de germaansche beteekenis van hem, ham, heim, gem, enz., raadplege men de Oeuvres complètes van J. J. Raepsaet.

Wat Dacknam, Dakenam betreft, zijne huidige ligging is voor ons nog zoodanig afgezonderd en verborgen, dat men het zou mogen heeten gedekten of verloren hoek.

Copia ex copiâ quæ erat extracta ex primo libro Registri monasterii De Baudeloo in quo folio 199 scripta sunt quæ sequuntur.

Ego Johanna Flandriæ et Hayn :[4] comitissa omnibus notum facio, tam, futuris, quam presentibus, quod, pro salute Domini et mariti mei sern. Comitis Flandriæ et Hayn et mea et, pro salute antecessorum meorum, ac deinceps successorum, liberalitate et benigne contuli in elemosinam perpetuam ecclesiæ St Nici[5] in Waso sex bonaria Wastina jacentes in confinio ecclesiæ illius, dedi, etiam, ecclesiæ sanctæ Catherinæ de Sinay, similiter sex bonaria Wastina jacentes in confinio ejusdem ecclesiæ, hac autem duodecim bonaria Wastina dedi prœdictis ecclesiis, libera ab omni exactione, et ab omni redditu, et prædicta bonaria dedi tali modo, quod in usu sacerdotum in præfatis ecclesis divina celebratium, converti debeant in posterum, ut autem hæc mea donatio firma permaneat præfatis ecclesiis. Presentem contuli paginam sigilli mei appensione munitam. Actum apud Dacnem in die St Dionisii Anno Dni Incne Mo cco XIXo. [p. 55]

Men raadplege nog, voor wat Waes en Lokeren betreft, de inventaire analytique des chartes des comtes de Flandre, avant l’avènement des Princes de la maison de Bourgogne, opgemaakt door den geleerden Heer Baron Jules de St. Genois, alsmede het hooggeacht gewrocht van den Heer P. Le Brocquy, voor opschrift dragende : Du Flamand dans ses rapports avec les autres idiomes d’origine Teutonique.

Bepalen wij hier onze aanmerkingen. Wij zullen gelegenheid hebben er op terug te keeren in ons onderzoek over den naamoorsprong van al de gemeenten van het Land van Waes.

HENDRIK RAEPSAET.

Lokeren, den 28 Maart 1862.


[1] Officiële spelling.

[2] « Eertijds schreef men waastijne in plaats van woestijne en men beduide daarmede vasta solitudo, groote wijduitgestrekte eenzame plaats. »

« De Engelschen gebruiken nog het woord waste in den zin van woest of verwoesten. »

[3] « Wij vermeenen den oorsprong van den naam des lands van Waes te moeten zoeken in het oude woord wasda, hetwelk een foreest of boombosch beduidt. In Holland, tusschen de steden Leiden en ’s Gravenhage, digt aan de zeeduinen, bestond, in oude tijden, een groot foreest of bosch genaamd Wasda, daarna Wasna, en ’t welk nu is vervangen door het dorp en heerlijkheid Wasnaar. (Zie den Concessiebrief van het land van Waes aan graaf Diederik, anno 808). » Notas van den Heer Van Den Bogaerde.

[4] Henegauwen.

[5] St. Nikolaas.

Print Friendly, PDF & Email