B  I  B  L  I  O  T  H  E  C  A    A  Q  V  I  L  I  A
Bron: Broeckaert, J. (1872). Burggraaf Hippoliet Vilain XIIII. Levensschets. Wetteren: A.-J. Verbaere-Vandevoorde.
Transcriptie: Yannick Anné (2 februari 2018). Alle rechten voorbehouden.
Digitale kopie: Google Books.

BURGGRAAF
HIPPOLIET VILAIN XIII.
LEVENSSCHETS
door J. B.

WETTEREN,
DRUKKERIJ A.-J. VERBAERE-VANDEVOORDE, ZANDSTRAAT 34.
1872.

BURGGRAAF HIPPOLIET VILAIN XIIII.

Den 12 Juni 1850 vierde de gemeente Bazel, in het land van Waas, het vijftigjarig jubelfeest van haren achtingswaardigen burgemeester, graaf Philip-Lodewijk Vilain XIIII, wiens edele voorouders, tot eene der oudste familiën van Vlaanderen behoorende, eene zoo roemvolle plaats in ’s lands geschiedrol bekleeden, en die zelf, in de verschillige eervolle bedieningen, welke hij op staatkundig gebied vervulde, als een oprecht toonbeeld van burgerdeugd en vaderlandsliefde mocht worden aangemerkt.

Den 16 en 17 Juni 1872 viert de gemeente Wetteren, op hare beurt, de vijftigste verjaring van het burgemeesterschap des achtbaren heeren Burggraaf Hippoliet Vilain XIIII, wiens talrijke titelen op de openbare erkentelijkheid wij onzen lezeren in deze korte levensschets willen opsommen.

De heer Burggraaf Hippoliet Vilain XIIII werd geboren den 7 Mei 1796, en heeft bijgevolg zijn 76e jaar bereikt. Bij uitzondering aan zoovelen, [p. 4] wien de fortuin hare milde schatten bij de geboorte uitdeelt, streefde hij van jongs af naar kennissen en wetenschappen, waarmede hij in lateren leeftijd zoo heerlijk onder de nuttige vaderlandslievende mannen zou uitblinken. Zijne studiën voltrokken hebbende, en eene groote neiging voor den krijgsstand gevoelende, trad hij ten jare 1814 in Nederlandschen dienst, waarin hij weldra den graad van onderluitenant bij het 8e Huzarenregiment verwierf. De moeilijke omstandigheden, welke de Nederlanden toen te beleven hadden, de terugkomst van den naar het eiland Elba gebannen Napoleon, en de slag van Waterloo, die korts daarna geleverd werd, droegen niet weinig bij om in het hart van den jeugdigen krijgsman de vaderlandsliefde in gloed te zetten, en zijn karakter tegen de aanmatigingen van alles wat naar onrecht en ordeloosheid zweemde te harden.

Na gedurende zeven jaren in het Nederlandsch leger te hebben gediend en in 1820 tot den rang van luitenant te zijn opgeklommen, verkreeg hij den 29 December 1821 zijn eervol ontslag, en kwam zich voor goed te Wetteren vestigen, alwaar hij den 13 Juni des volgenden jaars – dus nauwelijks in zes en twintigsten ouderdom – tot eersten magistraat der gemeente werd aangesteld.

Het jaar daarna zonden zijne medeburgers hem naar de Provinciale Staten van Oost-Vlaanderen, welke bediening hij tot aan de omwenteling van 1830 bekleeden bleef, en in welke hoedanigheid [p. 5] hij aldra ongemeene blijken van bestuurlijke kennissen aan den dag legde en voor de hem toevertrouwde belangen in de weer was.

Het valt in ons bestek niet, den heer Vilain XIIII in zijne bestuurlijke loopbaan van stap tot stap te volgen, noch eene vergelijking te maken over den toestand van het voormalige en hedendaagsche Wetteren, welks bloei en welvaart hij te allen tijde zoo zeer ter harte nam. Reeds in 1807, toen zijn geachte vader, destijds meier van Wetteren, de inhuldiging van den steenweg naar het Burgoensch-Kruis voorzat, viel den zoone de eer der laatste-steenlegging te beurt, « ten einde – zegt het over deze plechtigheid opgestelde verslag – hem de gemeente te leeren liefhebben, opdat hij er in lateren tijde, voor het welzijn harer inwoners, zijne zorgen insgelijks zou aan toewijden. » Wat de prefect Faipoult bij deze gelegenheid in den toekomstigen burgemeester voorspelde, zou eenige jaren later worden bewaarheid. Nauwelijks had hij de teugels van het bestuur in handen, of hij was er op bedacht, hier eene Academie van Teeken- en Bouwkunde te stichten, allerlei verbeteringen in de gemeente in te voeren, en Wetteren met zijn steenwegennet te begiftigen, dat zijne ontwikkeling niet weinig moest bevorderen. Zijne verhandeling over het voltrekken van den steenweg van Gent op Dendermonde langs Wetteren (te Gent, bij P. J. De Goesin, in 1826, gedrukt), verwierf hem den naam eens grondigen kenners in dit vak, terwijl zijne Mémoire sur les chaussées vicinales [p. 6] et sur les moyens d’en compléter le développement (1829, 86 blz. in-8°), als een der beste werken beschouwd wordt, tot dan toe over dit onderwerp verschenen.

De heer Vilain XIIII duidt in deze laatste verhandeling de middelen aan, om door het verbeteren en kasseien der buurtwegen, de dorpen in nauwere betrekking met de steden te stellen, en wierp een der eersten, het gedacht op om, bij middel van vergunning der tolrechten, aan het leggen der menigvuldige steenwegen, welke ons land thans in alle richtingen doorkruisen, gevolg te geven.

De gebeurtenissen van 1830 riepen den heer Vilain XIIII op het staatkundig tooneel. Door het voorloopig bewind aangewezen tot de bediening van Gouverneur der provincie West-Vlaanderen, vergenoegde hij zich met het lidmaatschap des Bewarenden Comité’s van Oost-Vlaanderen, en hielp hij door zijnen invloed en zijn talent de nieuwe orde van zaken bevestigen, zonder zich, zooals velen in die woelige dagen, door overdrevenheid te laten medeslepen. Als afgevaardigde bij het Nationaal Congres voor het district Dendermonde, nam hij een werkzaam aandeel aan de stichting onzer onafhankelijkheid, en verklaarde hij zich, in breeden vrijheidszin, voor de aanneming van een grondwettelijk koningdom, als het best met onzen landaard overeenstemmende en den nieuwen Belgischen Staat de meeste duurzaamheid verzekerende. Zijn Appèl au Congrès, waarin hij deze stelling verdedigde, werd door de dagbladen [p. 7] diens tijds als een der beste schriften over onzen regeeringvorm geoordeeld, en oefende op de Congresleden eenen allergunstigsten invloed uit.

Middelerwijl duidde het voorlopige Staatsbestuur den heer Vilain XIIII aan, om gezamenlijk met den heer Sylvain van de Weyer, ons land bij de Londensche Conferentie te vertegenwoordigen, eene taak, welke hij met de meeste behendigheid vervulde, en hem den 6 April 1831 door den regent deed benoemen, om den prins van Saksen-Koburg, te Londen, de Kroon te gaan aanbieden, ditmaal in gezelschap van de heeren graven De Mérode en d’Arschot, Hendrik de Brouckere en den abt De Foere.

Tijdens zijn verblijf in Engeland vond de heer Vilain XIIII tijd tot het opstellen eener goed doordachte verhandeling over de vereeniging van Staats- of Hollandsch Vlaanderen met België, waaraan door de Conferentie ongelukkiglijk geen gevolg kon worden gegeven.

De keus van den nieuwen Koning gevestigd zijnde, viel den heer Vilain XIIII andermaal de uitstekende eer ten deele, door het Congres met eenige andere afgevaardigden te worden aangewezen, om Leopold met zijne benoeming te gaan bekend maken.

Weinig tijds daarna, den 29 Augusti 1831, verkozen de kiezers van het arrondissement Dendermonde den wakkeren Staatsman tot lid van de Kamer der Volksvertegenwoordigers, hetgeen hem gelegenheid gaf, de belangen zijner landgenooten, [p. 8] inzonderheid die zijner lastgevers, met zooveel talent als aanhoudendheid te behartigen. Vooral de stichting des ijzeren wegs van Mechelen naar Gent, langs Wetteren, vond in hem eenen kloeken verdediger, en aan zijne krachtdadigheid hebben wij het te danken, dat onze gemeente met eene standplaats op die lijn en andere voordeelen begiftigd werd. Hij zetelde in de Kamer tot in 1837, en werd den 25 November des volgenden jaars door Koning Leopold I, die hem eene groote genegenheid betoonde, tot zijnen zaakgelastigde bij de hoven van Turijn, Parma en Lucca, en den 16 Maart 1846, tot resideerend minister bij dezelfde hoven en dat van de Toscanen benoemd.

De heer Vilain XIIII, in Italië aangekomen, knoopte er betrekkingen aan met de uitstekendste kunstenaars en geleerden van het onder zoovele opzichten bevoordeeligde schiereiland, en terwijl zijne dichterlijke ziel er zich in schoone, gemoedelijke zangen lucht gaf, benuttigde hij zijn verblijf aldaar met er eenen nieuwen schat van kennissen op te doen, en, als oprecht kunstminnaar, zijne hem als het ware aangeborene neiging tot de verhevenste vakken der menschelijke beschaving te bevredigen. Na alvorens een zeldzaam geworden werk zijns geleerden grootvaders, Burggraaf J. J. Ph. Vilain XIIII, hoogbaljuw van Gent, onder den titel : Mémoire sur les moyens de corriger les malfaiteurs et les fainéants à leur propre avantage et de les rendre utiles à l’Etat, te hebben heruitgegeven, voorafgegaan van eene historische schets over het leven en de werken van den beroemden [p. 9] hervormer der Gentsche tuchthuizen, liet hij in 1843 te Brussel zijne Essais poétiques het licht zien, waarin hij zich als dichter hier te lande voordelig bekend maakte. In het eerste deel dezes bundels, de overzetting bevattende van een twaalftal oud-Nederlandsche balladen en liederen, weet de dichter den eenvoud en het treffende onzer middeleeuwsche gezangen getrouw in den Franschen vorm weer te geven. De lof, dien hij onzer rijke, krachtige moedertaal in de voorrede zijns bundels toebrengt, bewijst, dat hij er verre van af was, met bekrompene denkbeelden te haren opzichte bezield te zijn, integendeel, dat hij al het schoone en verhevene onzer oude poëzie had weten te bevatten, en er genoeglijke uren had bij doorgebracht. Les larmes du Christ sur la croix en les Saintes femmes au tombeau, beide door beroemde toonkundigen op muziek gesteld, zijn twee oratorio’s, waarin het gevoel overstroomt, en heerlijke verzen voorkomen.

Ten einde onzen lezeren in staat te stellen, over het dichttalent van den heer Vilain XIIII te oordeelen, deelen wij hier eenige strophen mede uit zijn overheerlijk stuk : Le bonheur est au Ciel, in 1871, met eene opdracht aan zijn dochtertje, zijnen vrienden uitgedeeld :

Ainsi, lorsqu’au matin, devancé par l’aurore,
Le soleil apparaît vers l’Orient, qu’il dore,
Et répand sa chaleur ;
Toute la terre émue et s’éveille et s’élance,
Et son globe échauffe mollement se balance,
Sous son puissant vainqueur. [p. 10]

Ainsi l’adolescent, au sortir de l’enfance,
Voit se développer sa brillante existence,
Plein d’espoir et de foi.
Il croit au pur amour, à l’honneur, au courage,
Et se laisse entraîner par la fougue de l’âge
Sans remords, sans effroi.

Mais bientôt le soleil a pompé les nuages,
Déjá la foudre gronde et porte ses ravages
Parmi les nations,
Et l’homme détrompé, pour quelques jours de joie,
Sent son âme égarée, et devenir la proie
De folles passions.

Séduisante nature, amour, souffle éphémère,
Hélas ! tout ici-bas n’est que peine et misère
Pour le pauvre mortel.
Aussi doit-il trouver, après ces longs orages,
Des amours sans regrets et des cieux sans nuages,
Auprès de l’Eternel.

Là, tout est calme et bon ! Dans ces béatitudes
Et ces immensités de saintes inquiétudes,
L’âme, au sein du bonheur,
Peut éternellement contempler face à face,
Au milieu des élus délivrés par la grâce,
Son auguste Sauveur !

Wie aldus zijn gemoed kan uitstorten en zangen voorbrengen, verdient, ja, met den naam van dichter te worden betiteld, en het moet den heer Vilain XIIII als eene niet geringe eer worden aangerekend, de natuurgaven, waarmede hij zoo mildelijk bedeeld is, op eene zoo onbaatzuchtige [p. 11] wijze ten voorbeelde van anderen aan te wenden. Wat hij tot hiertoe heeft uitgegeven, is verre van zijnen volledigen letterkundigen voorraad uit te maken, dewijl het ons bekend is, dat hij op dit oogenblik eenen nieuwen bundel poëzie, waaronder eene reeks politieke fabelen, voor de pers gereed maakt.

De Bulletins der Koninklijke Academie van Schoone Kunsten, Letteren en Wetenschappen, te Brussel, namen van den heer Vilain XIIII de beschrijving op, eener in zijne tegenwoordigheid verrichte, en door den Italiaanschen minister van Binnenlandsche zaken bevolene delving in de puinen van Pompeï, waarbij verschillende belangrijke voorwerpen aan het licht werden gebracht ; de Academiën van Wetenschappen en Schoone Kunsten, te Napels, alsmede de Philotechnieke Maatschappij van Parijs en andere geleerde genootschappen, namen hem onder het getal hunner leden op, terwijl de vorsten van Sardinië, Parma, Lucca en der Beide-Siciliën hem met hunne ridderorden begiftigden, als zoovele blijken van hoogschatting, die zij den Belgischen staatsman en geleerde toedroegen.

Terwijl de heer Vilain XIIII ons land gedurende acht jaren in Italië eervol vertegenwoordigde, hield hij niet op, voor de gemeente Wetteren, welke hem, niettegenstaande zijne afwezigheid, haar vertrouwen had blijven schenken, ijvervol bezorgd te zijn. Daarvan getuigen de drukke briefwisseling, welke hij met zijne ambtgenooten in [p. 12] het bestuur onderhield, en de wijze wenken en raadgevingen, die hij hun in meer dan ééne omstandigheid toestuurde. In België teruggekeerd, wijdde hij zich, van de beslommeringen des politieken levens ontslagen, aan de belangen der gemeente meer dan ooit toe, en mocht hij, vooral in deze laatste jaren, van hare buitengewone ontwikkeling getuige zijn. Man van orde en vooruitgang, in den waren zin van het woord, mangelde het aan zijne verstandige medehulp niet, hier zooveel goeds te stichten als mogelijk was, en zijnen invloed, daar, waar hij ingeroepen werd, of nuttig kon zijn, te doen gelden. Door Koning Leopold I opvolgendlijk met het ijzeren kruis vereerd en tot Ridder en Officier zijner orde benoemd, ontving hij den 5 Augusti 1855 den titel van buitengewonen gezant en gevolmachtigden minister bij de hoven van Sardinië en der Beide-Siciliën, terwijl de Koning der Nederlanden hem met het herinneringskruis van 1813-1815 beschonk, en hij door Leopold II, in Januari 1868, tot Kommandeur der Leopoldsorde verheven werd.

Het is deze schitterende loopbaan, welke bekwamere pennen dan de onze eenmaal volledig mogen beschrijven, die Wetteren het zich tot eene plicht rekent, op eene waardige wijze te verheerlijken.

J. B.

Print Friendly, PDF & Email